Module 2 · Het gasnet van hoog naar laag · Les 4 van 8 · ± 8 min
Districtstations, ringen en leveringszekerheid
Onder het gasontvangstation begint het regionale werk. Een lokaal gasdistributienet bestaat uit twee lagen: een hogedruknet (8, 4 of 1 bar) en een lagedruknet (100 mbar, soms 30 mbar).
De onderdelen van een distributienet:
Ontwerpregel
Gedimensioneerd op −12 °C
Twee eisen tegelijk
Lagedruknetten worden zo gedimensioneerd dat ze bij een verwachte piekvraag — bij een gemiddelde etmaaltemperatuur van −12 °C — nog gas met voldoende druk bij de kleinverbruiker leveren.
En er geldt een extra eis: bij uitval van één station of één belangrijke leiding moet nog 70% van de capaciteit geleverd kunnen worden. Dat komt overeen met de capaciteit die nodig is bij een buitentemperatuur van ongeveer −2 °C.
Dit is het gas-equivalent van het n-1-principe bij elektriciteit: het net moet één storing kunnen hebben zonder dat iedereen in de kou zit.
Jouw rol: Netbeheerder gasdistributie
Het vriest −8 °C. Om 07:00 valt een districtstation uit dat een wijk van 4.000 woningen voedt. De omliggende stations draaien al op hoge belasting.
Check jezelf · 3 vragen · 3 punten
Bij welke gemiddelde etmaaltemperatuur (in °C) moet een lagedruknet nog de volledige piekvraag kunnen leveren?
Verdieping · 1 punt
Waarom hebben lagedruknetten een sterk vermaasde structuur?
Kern · 1 punt
Elke gasstraat in een districtstation heeft twee onafhankelijk werkende drukbeveiligingen.
Verdieping · 1 punt